Renaissance

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken
Zie Renaissance (doorverwijspagina) voor andere betekenissen van Renaissance.
Periodes uit de
westerse geschiedenis

De renaissance (letterlijk: wedergeboorte) is een cultuurperiode in de Europese geschiedenis die beschouwd wordt als een bloeitijdperk van kunsten, wetenschappen en letteren. De Italiaanse humanisten die de term introduceerden [1] meenden dat na een periode van verval, de Middeleeuwen, een nieuwe gouden eeuw was aangebroken, die niets minder was dan een 'wedergeboorte' van de door hen bewonderde klassieke oudheid. De renaissance begon in Italië in de 14e eeuw en verspreidde zich in de volgende eeuwen over de rest van Europa.

Inhoud

[bewerken] Inleiding

Als we de renaissance als periode trachten te beschouwen, was het in essentie een overgangsperiode van Middeleeuwen naar Nieuwe Tijd. De renaissance is dan ook niet binnen strikt chronologische grenzen vast te leggen. Veelal wordt als 'startpunt' 1453 genomen, het jaar waarin Constantinopel in handen van de Turken viel. Als kunsthistorisch periodebegrip heeft renaissance betrekking op het tijdperk vanaf Giotto (ca. 1266-1337) tot aan de dood van Rafaël (1483-1520).

"De renaissance ging natuurlijk over veel meer dan over kunst", zegt de Amerikaanse journalist Peter Haugan, [2] "maar in de kunst komt een specifiek wereldbeeld tot uiting, zodat een nadere :beschouwing van de schilder- en beeldhouwkunst je een beter begrip kan opleveren van waar het in deze periode om draaide."

De opvatting van de renaissance als aanduiding van een periode van bloei van kunsten en wetenschappen bleef overeind tot in de 19e eeuw toen de kunsthistoricus Jacob Burckhardt de 'definitie' veel ruimer ging opvatten.
De term renaissance wordt in meer algemene zin ook gebruikt voor andere perioden van culturele heropleving in de geschiedenis, zoals de Karolingische renaissance.

Mogelijk zou het meer zin hebben om de Italiaanse renaissance van de 15e eeuw en de 'Duitse' reformatie van de 16e eeuw binnen eenzelfde historische context samen te brengen. Namelijk als twee vormen van verzet tegen ideeën die als voorbijgestreefd werden gezien. In moderne geschiedenisboeken worden de twee ook vaak samen behandeld.

[bewerken] Renaissance als historisch periodebegrip

'Renaissance' als periodebegrip werd slechts in de loop van de 19e eeuw gebruikelijk, vooral naar aanleiding van Jacob Burckhardts in 1860 verschenen boek 'Die Kultur der Renaissance in Italien'. De Italiaanse renaissance zag hij in dat werk als een breuk met de Middeleeuwen en het begin van de Nieuwe Tijd. Deze historiografische visie werd door latere historici, mediaevisten en in het bijzonder de historicus Johan Huizinga bekritiseerd. Moderne historici spreken tegenwoordig soms bijvoorbeeld van Vroegmoderne Tijd en, voor zover zij de term 'renaissance' gebruiken, bedoelen zij hiermee de overgangstijd van Middeleeuwen naar Nieuwe Tijd zonder de connotatie van een culturele bloeiperiode voor heel Europa. [3]

Al vóór Jacob Burckhardt waren studies over de Italiaanse renaissance verschenen, maar zij beperkten zich telkens tot één aspect van de periode. Het vernieuwende aan Burckhardts benadering was dat hij cultuurgeschiedenis niet slechts zag als een studie van kunstuitingen, maar er tevens politiek, wetenschap, religie en zeden bij betrok. Al deze thema's bracht hij samen in zijn werk 'Die Kultur der Renaissance in Italien (1860). Op zijn visie als zou de renaissance een op zichzelf staande periode zijn die een breuk betekende met de Middeleeuwen, kwam echter veel kritiek. [4]

[bewerken] Kritiek op Burckhardt

  • De mediaevisten betoogden dat de echte renaissance al begonnen was in de 12e eeuw, ook renaissance van de twaalfde eeuw genoemd. Deze bepaalde (Italiaanse) renaissance was niet zo uniek, voerden zij aan. [4] Zo was er al in de 10e eeuw sprake van een Karolingische renaissance een onder het bewind van de Karolingers vallende bloei van letteren en kunsten.
  • Sociaal-economische historici onthulden dat die renaissance de gewone man onberoerd had gelaten en vooral een zaak van de elite was geweest. Ook economisch was het niet zonder meer een periode van hoogconjunctuur te noemen. [4]
  • De Leidse historicus Johan Huizinga was van oordeel dat de renaissance wat Noord-Europa betrof niet zozeer het begin van iets nieuws was geweest, maar eerder het verdwijnen, 'wegslijten' van middeleeuwse culturele vormen. [4]
  • De historicus Peter Burke stelt zich ook vragen over de waarde van renaissance als periodebegrip. In zijn boek 'The Renaissance' (1987) neemt hij duidelijk afstand van de renaissance als gouden tijdperk van de cultuur. Hij wijst erop dat Burkhardt de zelfverheerlijkende visie van geleerden en kunstenaars uit die periode kritiekloos had overgenomen.[4]

Als gevolg van deze 'revisionisten' dreigde de term 'renaissance' onder historici zelfs een tijdje in onbruik te raken. Dat was bijvoorbeeld het geval aan de de Amerikaanse Universiteit van Columbia, waar alternatieve benamingen zoals 'Overgangsfase in Europa, 1300-1600' in de plaats kwamen van het omstreden renaissance-begrip. [4]

Het problematische van het hanteren van 'renaissance' als periode wordt door de Britse historicus Norman Davies [5] aldus verwoord: [6]

There is a strong sense of unreality about the Renaissance. The mode of thinking which is supposed to distinguish modern European civilization both from medieval Christendom and from other non-European civilizations such as Islam had no clear beginning and no end...

Binnen de westerse kunstgeschiedenis was Erwin Panofsky (1892-1968) een voorstander van de periodisering zoals Burckhardt voorstaat. Hij verdedigt in zijn boek 'Renaissance and renascenses in western art' (1960) Burckhardts opvatting van de renaissance als een breukperiode met de voorafgaande middeleeuwen. Meer en meer lijkt echter het standpunt terrein te winnen dat er geen sprake is geweest van een bruuske overgang van middeleeuwen naar renaissance. 'Middeleeuwse' figuren als Dante Alighieri (1265-1321), Francesco Petrarca (1304-1374) en Giovanni Boccaccio (1313-1375) zouden richtinggevend en inspirerend zijn geweest voor het ontstaan van een nieuw geestelijk klimaat en zo het pad hebben voorbereid.

[bewerken] Ontstaan van de renaissance in Italië

Renaissance
"De Atheense filosofenschool" van Raphael
Onderwerpen

Architectuur
Beeldhouwkunst (vroege renaissance)
Beeldhouwkunst (hoog-renaissance)
Dans
Filosofie
Literatuur
Maniërisme
Muziek
Schilderkunst (vroege renaissance)
Schilderkunst (hoog-renaissance)
Technologie
Wetenschap

Landen

Engeland
Duitsland
Frankrijk
Italië
Nederlanden
Noord-Europa
Polen
Spanje

De kathedraal Santa Maria del Fiore te Florence. Florence was het cultureel centrum van de renaissance.

De politieke en economische omstandigheden in het Italië uit die periode verschilden op drie punten van die van de rest van Europa:

  • In Italië was er geen sprake van een centraal gezag. [7]
  • Het leenstelsel bestond al niet meer sinds 1200
  • Steden en handel waren vroeger dan elders tot grote bloei gekomen

In Italië hadden zich belangrijke steden ontwikkeld. Zij spiegelden zich aan een geïdealiseerd verleden, waarin het klassieke Rome de wereld beheerste, een tijd waarin adel en geestelijkheid nog niet bestonden. Op die manier kwam het tot een herontdekken van de klassieke beschaving: het Romeins recht, de literatuur en de architectuur van de antieken.
Officieel maakte Italië ten noorden van Rome deel uit van het Heilige Roomse Rijk, maar in werkelijkheid slaagden de Duitse keizers er nauwelijks in om hun macht of gezag te doen gelden. Noord-Italië bestond uit een groot aantal de facto zelfstandige stadstaten, die vrijwel voortdurend met elkaar in conflict waren. De belangrijkste stadstaten waren Milaan, Venetië, Genua en Florence. De stadstaten werden in de regel geregeerd door een oligarchie van kooplieden en hadden officieel geen staatshoofd. In Milaan maakten de Visconti zich meester van de macht; Venetië, Genua en Florence waren een republiek. Ook intern werden de stadstaten dikwijls verscheurd door conflicten.
In Midden-Italië lag de Kerkelijke Staat, die geregeerd werd door de paus. De pausen hadden in het verleden de investituurstrijd tegen de keizer van het Heilige Roomse Rijk (1075-1122) gewonnen. De keizer verloor een groot deel van zijn macht in Noord-Italië, waarvan de Noord-Italiaanse steden konden profiteren om alle macht naar zich toe te trekken. In het begin van de veertiende eeuw vertrok de paus echter naar het verre Avignon; daarna had hij nog maar weinig invloed op de Italiaanse politiek. In het zuiden lagen twee koninkrijken die wel een belangrijke rol speelden in de politiek: het koninkrijk Napels en het koninkrijk Sicilië.

De economische bedrijvigheid maakte het voor de bovenlaag van de bevolking mogelijk om van het leven te genieten. In dit opzicht was er sprake van een mentaliteitsverandering. Het nastreven van rijkdom en luxe werd veel minder dan voorheen als verwerpelijk beschouwd.
De steden en de vorstenhoven steunden kunst en wetenschap. De buitenkerkelijke beoefening van de wetenschap leidde tot bevrijdende ontdekkingen: de 'Schenking van Constantijn', een oorkonde die de wereldlijke heerschappij over de westelijke landen toekende aan de paus, werd in 1440 door Lorenzo Valla ontmaskerd als vervalsing. De renaissance was dus een stedelijke beweging, mogelijk gemaakt door welstand. De humanisten meenden dat er werkelijk een nieuw tijdperk was aangebroken.

[bewerken] Florence, eerste stad van de renaissance

Florence, de belangrijkste stad in Toscane, maakte gedurende de 14e, 15e en 16e eeuw een ongekende culturele bloei door. Het was een naar Italiaanse maatstaven middelgrote stad; in de 15e eeuw had het ongeveer 60.000 inwoners. De stad dankte haar welvaart met name aan een bloeiende wolnijverheid, de fabricage van wollen stoffen.
Het waren enkele Florentijnse schrijvers die het beeld van de renaissance bepaalden. In de 14e eeuw waren dat Dante, feitelijk nog typisch een middeleeuwer, Petrarca en Boccaccio. Machiavelli (†1527) leverde een belangrijke bijdrage aan de politieke theorie.

Gedurende de 15e eeuw maakten de familie Medici zich geleidelijk aan meester van de macht in de republiek, een geslacht van kooplieden en bankiers.
De familie dankte haar rijkdom aan Giovanni de' Medici (1360-1429). Giovanni's zoon, Cosimo de' Medici (1389-1464), genoot de steun van de armere lagen van de bevolking. Hoewel de republikeinse instellingen werden gehandhaafd, beheerste hij de politiek. Lorenzo il Magnifico (1449-1492), diens kleinzoon, genoot vooral faam als dichter, kunstkenner en mecenas.

De cultuur van de stedelijke renaissance en de boeteprediking van de bedelorden botsten met elkaar. De prior van een dominicanenklooster, Girolamo Savonarola (1452-1498), had met zijn prediking zo'n invloed op de bevolking dat deze alle tekenen van wereldlijk leven vernietigde: de heersersfamilie van de Medici moest de stad Florence verlaten.

In de 16e eeuw werd Toscane een groothertogdom. De Medici zouden er tot 1737 regeren.

[bewerken] Kenmerken van de renaissance

Het is niet eenvoudig om de wezenlijke kenmerken van de renaissance te benoemen. De humanisten meenden dat de cultuur van de antieken tot nieuw leven kwam. Jacob Burckhardt benadrukte vooral de breuk met de Middeleeuwen en het vernieuwende karakter van de renaissance. Latere historici kregen meer oog voor de continuïteit met de Middeleeuwen enerzijds, en de minder positieve aspecten van de renaissance anderzijds.

[bewerken] 'Wedergeboorte' van de Klassieke Oudheid

Eerste pagina van een vroeg 15e-eeuws handschrift van Cicero's "De oratore", Noord-Italië. Cicero was het grote voorbeeld van de humanisten.

De literatoren die de term 'renaissance' bedachten meenden een wedergeboorte van de cultuur van de antieken te beleven. Giorgio Vasari (1511-1574) ziet sinds de tijd van de 'barbaren' een opgang van de moderne stijl in drie etappes, waarbij hij met minachting verwijst naar de Griekse (Byzantijnse), en naar de Duitse (gotische) stijl.

De renaissance lijkt vaak een breuk met de middeleeuwse traditie die gelegitimeerd wordt door te suggereren dat men terugkeert naar een nog oudere traditie, die van de Klassieke Oudheid. Aan de middeleeuwers verwijt men dat juist zij met de antieke traditie gebroken hebben. Hiermee kan de renaissance als historiserende vormgeving worden beschouwd.
Het concept 'middel-eeuwen' is dan ook bij uitstek het product van de renaissance. De traditie om de geschiedenis van Europa in drie perioden onder te verdelen, oudheid, middeleeuwen en nieuwe tijd, is tijdens de renaissance ontstaan.

De bewondering en navolging van de antieke cultuur is wellicht het meest in het oog springende kenmerk van de renaissance. Een bewondering voor de politiek van het oude Rome had geleid tot een bewuste 'nabootsing' van zijn cultuur.
Overigens viel het de Italiaanse kunstenaars niet zwaar de gotische traditie af te wijzen: die was er sowieso nauwelijks geworteld. Wel bleven er veel meer invloeden van het christendom een rol spelen dan men bij oppervlakkige beschouwing zou denken. Christelijke motieven blijven tot ver in de moderne tijd de kerken en privé-kapellen sieren, en in de filosofie is het humanisme nog lange tijd niet gewapend tegen het bastion van de scholastiek.

In werkelijkheid was de renaissance in veel opzichten zowel een voortzetting van als een breuk met de Middeleeuwen. In Italië in het algemeen, en in de stad Florence in het bijzonder, wordt in de 15e eeuw een levenshouding manifest die duidelijk afwijkt van de op het hiernamaals gerichte mentaliteit van de Middeleeuwen. Het is tijdens diezelfde 15e eeuw, ook wel Quattrocento genoemd, dat de Italiaanse renaissance haar hoogtepunt bereikt.
De betekenis van de renaissance moet overigens niet worden overschat. De politieke structuur van Europa, zijn talen en nationale culturen, het recht en zijn economische organisatie zijn alle het product van de Middeleeuwen.

[bewerken] Secularisering

De invloed van de renaissance deed zich vooral gelden waar het ging om het denken en voelen van de elite. De intellectuele elite ontwikkelde een levenssfeer die zich aan het religieuze onttrok. Dit proces wordt secularisering genoemd. De nieuwe, seculiere levenssfeer werd vooral zichtbaar gemaakt in de kunsten en de letteren. Centraal stonden vragen op het gebied van de moraal en de vraag naar de plaats van het individu in de samenleving. De betekenis van de renaissance wordt hoofdzakelijk zichtbaar in de sterk veranderende opvattingen op het gebied van smaak en stijl, fatsoen en decorum, opvoeding en onderwijs.

Vele middeleeuwse - christelijke - waarden werden in twijfel getrokken. Waar de middeleeuwers armoede, contemplatie en kuisheid hadden verheerlijkt, spoorde de renaissance aan om bezit te verwerven, actief deel te nemen aan het maatschappelijk leven en van het leven te genieten. Het middeleeuwse mensbeeld was negatief: de mens was zondig en afhankelijk van de genade Gods.
De renaissance plaatste hier een positief mensbeeld tegenover. De vrijwel onbegrensde mogelijkheden van het menselijk vernuft werden benadrukt. De afhankelijkheid van de clerus wat betreft het zieleheil was geen vanzelfsprekendheid meer. Dit verschil kan duidelijk worden gezien in de verschillende levensmotto's. Zo is het levensmotto van de mensheid in de Middeleeuwen: "memento mori" een Latijnse spreuk die ruw vertaald kan worden naar: "gedenk te sterven." Middeleeuwers hielden zich veel bezig met de dood, ze moesten goed leven en veel biechten zodat als de tijd zou komen ze volledig waren voor bereid op de dood en in de hemel terecht zouden komen. Hiertegenover staat het motto van de renaissance: "Carpe diem" vertaald naar: "Pluk de dag": een mens moest proberen het beste van zijn leven te maken.

Zoals altijd bestonden het oude en het nieuwe naast elkaar. Dit kon leiden tot conflicten tussen bevolkingsgroepen en - op individueel niveau - tot psychische spanningen.

[bewerken] Individualisme; virtù

Binnen de relatief kleinschalige Italiaanse stadstaten speelden individuele burgers een belangrijke rol. Vooral in steden met een republikeins karakter, zoals Florence, waren welgestelde burgers actief bij de politiek betrokken. De opvattingen van Cicero, die de nadruk legde op de plicht van individuele burgers om de gemeenschap te dienen, waren in deze context van grote invloed.

Van mannen werd verwacht dat zij het lot naar hun hand zetten. Er ontstond een verering van het individu, van 'grote mannen', die zichzelf onderscheidden van hun omgeving. Een dergelijke man, die zijn rivalen overtrof, bezat virtù (= deugd) in de ogen van zijn tijdgenoten. Het werd als een typisch mannelijke kwaliteit beschouwd. Een goed voorbeeld van dit nieuwe individualisme was Benvenuto Cellini, een veelzijdig kunstenaar met een uitgesproken karakter.
Deze verering van het unieke individu was geheel nieuw; ook de Oudheid kende een dergelijk verschijnsel nauwelijks.

[bewerken] Realisme in de beeldende kunst

Piero della Francesca: "De ideale stad". De ideale wereld van de renaissance voldeed aan de mathematische wetten van het lineair perspectief.

De toenemende aandacht voor het hier en nu ten koste van de nadruk op het eeuwige en transcendente blijkt ook uit het toenemend realisme in de beeldende kunst. Vanaf de renaissance werd van westerse kunst verwacht dat deze de werkelijkheid op een objectieve manier vormgaf en als zodanig herkenbaar was.

De ruimte was niet langer onpeilbaar en onkenbaar, maar werd als geordend beschouwd, zichtbaar en meetbaar.

[bewerken] Verspreiding van de renaissance

Portret door Leonardo da Vinci van Cecilia Gallerani, de belangrijkste maîtresse van Ludovico Sforza de hertog van Milaan. Czartoryski-museum, Kraków

De renaissance begon in Italië waarna deze stijl zich langzamerhand over West-Europa verspreidde. Tot ~1450 manifesteerde de renaissance zich hoofdzakelijk in Italië, daarna beïnvloedde de renaissance tot het begin van de zeventiende eeuw heel West- en Midden-Europa. Gedurende ongeveer twee eeuwen waren Italië en de Italiaanse cultuur toonaangevend.
Ook in de koloniën in de Nieuwe Wereld heeft de renaissance sporen nagelaten. De westerse wereld is tot in de 20e eeuw diepgaand door deze stroming beïnvloed.

Interessant zijn de verschillende uitingen van realisme in de kunst in het noorden en het zuiden van Europa; de Alpen doen hierbij veelal dienst als scheidslijn
Grofweg is het eenvoudigste onderscheid te zien in de verschillende wijze waarop de kunstenaars correct probeerden te schilderen. In het zuiden gebeurde dit na de ontdekking van Giotto volgens het lineair perspectief, ook wel mathematisch correct genoemd. In het noorden zag men meer in gedetailleerde naschildering, waardoor het schilderij in kwestie ook realistisch oogde. Hierbij moeten we bedenken dat de schildertechnieken overal verschillend waren. In het zuiden werkte men niet alleen op doek, maar maakte men ook fresco's, terwijl in het noorden op doeken werd geschilderd. Fresco's zijn in noordelijke landen, met het vochtige klimaat, niet zo goed houdbaar als in zuidelijker landen.

[bewerken] Economie

De late middeleeuwen waren een periode van economische depressie die tot ~1475 duurde. Het is opmerkelijk dat juist tijdens een periode van economische neergang kunsten en letteren bloeiden.
De handel concentreerde zich rond de Middellandse Zee. Binnen dit handelsnetwerk speelden de Italiaanse steden een centrale rol. Het waren de grootste, meest welvarende steden van Europa. Ondanks de economische malaise slaagden sommige koopmansgeslachten erin een fortuin te vergaren. Enkele geslachten ontwikkelden zich tot bankiers. Ook het 'wisselen van geld' was een lucratieve bezigheid.

[bewerken] Religie: de weg naar de reformatie

Jan Gossaert, Sint-Lucas tekent de H. Maagd, Kunsthistorisches Museum, Wenen.

Tussen renaissance en reformatie was er een verband: dezelfde kritische houding tegenover de bedenkelijke toestanden in de Kerk, en dezelfde aandacht voor de bronnen van de Bijbel. Al voor de renaissance waren er van tijd tot tijd critici van de levensstijl van veel prelaten van de kerk. Maar toen kregen deze weinig gehoor of was het zelfs levensgevaarlijk om dit al te luid te verkondigen.

In de loop van de 13e tot 15e eeuw kwamen er echter steeds meer van deze dissidenten en deze kregen ook steeds meer een luisterend oor van de opkomende nieuwe intellectuelen. Deze gingen terug naar de bronnen van het evangelie en zagen dat er toch veel van de dagelijkse kerkelijke praktijk niet in overeenstemming was met de voorschriften en leefregels die in de evangeliën en brieven der apostelen beschreven stonden. Toen kon een grote discussie niet lang meer uitblijven. De reformatie zou beginnen.

[bewerken] De joden; toenemende intolerantie

De late middeleeuwen en renaissance waren een periode waarin de intolerantie ten opzichte van andersdenkenden eerder toe- dan afnam. Zoals zo vaak moesten vooral de joden het ontgelden.
In 1290 werden de joden verdreven uit Engeland, in 1306 werden zij verdreven uit Frankrijk. Gedurende de 14e eeuw werden zij verdreven uit de Duitse landen. De meesten van deze Asjkenazische Joden vestigden zich in Polen.
Op het Iberisch Schiereiland heerste lange tijd een relatief tolerant klimaat. Met de val van Granada in 1492 kwam hier een einde aan. Meer dan 100.000 joden verlieten de Spaanse koninkrijken. Deze Sefardische Joden vestigden zich voornamelijk in Noord-Afrika en het Ottomaanse Rijk. Sommigen van hen gingen naar Portugal en de noordelijke Nederlanden.

[bewerken] Humanisme

De renaissance in Italië had een nieuwe kijk op de mens doen ontstaan: de nadruk kwam te liggen op de menselijkheid, de 'humanitas', naar het model van de klassiek-Romeinse cultuur. Het werk van de letterkundigen en filologen kreeg later de naam 'humanisme'.
Belangrijke humanisten waren Thomas More, Leonardo Bruni en Giovanni Pico della Mirandola.

[bewerken] Filosofie

Zie ook Renaissancefilosofie

De filosofie van de renaissance wendt zich van de middeleeuwse scholastieke studie van Aristoteles af. Marsilio Ficino (1433-1499) vertaalde het werk van Plato en schreef daar commentaren bij die sterk bijdroegen aan de verspreiding van Plato's leer. Veel denkers van de renaissance zijn dan ook aanhangers van het neoplatonisme, dat behalve door Ficino ook door het werk van Georgios Gemistos Plethon en Giovanni Pico della Mirandola bekend geraakte in intellectuele kringen rond Florence.
Een filosofisch bastion in het denken van Aristoteles bleef de universiteit van Padua. Daar bestudeerde Pietro Pomponazzi (1462–1524) de teksten van Aristoteles zonder bemiddeling van het Thomisme en Averroes. In het algemeen kan gezegd worden dat het theocentrisme van de Middeleeuwen plaats maakte voor een antropocentrische wereldbeschouwing. Een wijdverbreide houding onder de geleerden van de renaissance werd het humanisme. Enkele bekende filosofen uit de periode van de renaissance waren:

  1. Coluccio Salutati (1331-1406)
  2. Nicolaus Cusanus (1401–1464)
  3. Desiderius Erasmus (1466–1536)
  4. Niccolò Machiavelli (1469–1527)
  5. Thomas Morus (1478–1535)
  6. François Rabelais (1494–1553)
  7. Michel de Montaigne (1533-1592)

[bewerken] Wetenschap

Leonardo da Vinci's Vitruvische mens, een voorbeeld van de synthese van kunst en wetenschap tijdens de renaissance.

Vóór de renaissance was de wetenschap vrijwel geheel gebaseerd op een relatief klein aantal traditionele boeken en schrijvers. Dat was in de eerste plaats natuurlijk de Bijbel, maar daarnaast ook een aantal Griekse en Romeinse schrijvers zoals Plato, Aristoteles en Galenus. Het werk van de geleerden bestond uit het geven van commentaren op deze boeken en het toepassen van deze werken op actuele situaties.

De humanisten vormden de eerste groep die zich tegen dit strakke corpus verzette. Ze braken niet met de traditie van het zich baseren op klassieke werken, maar stelden dat op bepaalde punten fouten zaten in de vertaling vanuit het Grieks (of voor het Oude Testament het Hebreeuws) in het Latijn. Om dit te omzeilen diende men bronnen te raadplegen die zo dicht mogelijk bij de originele tekst stonden. Latere toevoegingen en uitleggingen werden als veel minder belangrijk beschouwd. Daarnaast wilden de humanisten ook andere schrijvers en geleerden aan het gezaghebbende corpus toevoegen.

Maar hiermee hield de vernieuwing in de wetenschap niet op. Andreas Vesalius sneed zelf in lijken ter onderzoek van de anatomie, en kwam tot de conclusie dat Galenus op bepaalde punten fout was geweest. Copernicus introduceerde het heliocentrisch wereldbeeld. Galilei gebruikte de telescoop om meer over de hemel te weten te komen. Cartografen maakten kaarten die nauwkeuriger waren dan die van Ptolemeus, en toonden het in de Oudheid onbekende werelddeel Amerika.

Desondanks was de invloed van de renaissance op het ontstaan van de moderne wetenschap niet alleen bepalend geweest. De wortels daarvan moeten al eerder bij de midddeleeuwse wetenschap en de middeleeuwse universiteiten gezocht worden die, in tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, veel aanzetten gaven tot kritisch onderzoek en nieuwe theorievorming bevorderden.

[bewerken] Beeldende kunst

Vaak wordt het werk van de kunstenaar Giotto di Bondone (1266/7-1337) uit Florence als het begin van de renaissance gezien. Giotto maakte fresco's die een illusie schiepen die al eeuwen niet gemaakt was, de illusie van de ruimte op een plat oppervlak. Als we kijken naar een van zijn fresco's in de Cappella degli Scrovegni in Padua (Noord-Italië), fides gemaakt omstreeks 1306, dan lijkt het net of we naar een beeldhouwwerk kijken, een gotisch beeldhouwwerk. Deze illusie wordt onder andere versterkt door het toegepaste verkort in de arm en de modellering van het gezicht en het gewaad.
Giotto paste niet zomaar een bepaalde techniek toe. Het was zijn bedoeling een geheel nieuwe en eigen voorstelling te schilderen, zoals hij voor ogen had dat het gebeurd moest zijn. Hij doorbrak de traditie van overname, van schilderingen als Bijbel voor de ongeletterden. Een ander uniek element van Giotto is het feit dat zijn naam bekend is. Tot ver in zijn tijd waren kunstenaars niet bij naam bekend. Het was een ambacht, dat je als je dagelijkse werk vooral anoniem uitvoerde.

De meeste kunstuitingen behandelden een religieus thema, maar de vraag naar wereldse onderwerpen nam toe. Sommige kunstenaars combineerden de twee levenssferen in één kunstwerk. Een zeer geslaagd voorbeeld hiervan zijn de fresco's die Benozzo Gozzoli schilderde voor zijn opdrachtgevers, de Medici, in het Palazzo Medici-Riccardi.

[bewerken] Schilderkunst

In de periode van de renaissancekunst waren zeer veel kunstschilders actief met het maken van schilderijen.

De schilderkunst van belangrijke kunstschilders uit de renaissance is onder te verdelen in:

Door economische vooruitgang was het ook mogelijk realistische schilderijen te laten maken. Deze schilderijen waren zeer kostbaar omdat het zeer veel tijd kostte om ze te maken. Aanvankelijk waren het vooral religieuze en klassieke verhalen die werden afgebeeld.

Vooral in Italië is er een periode van artistieke hoogtepunten. Het zijn tijden van opvallende technische inventiviteit; de olieverftechniek wordt uitgewerkt tot een ultieme verfijning, houtsnede en kopergravure zijn veelgebruikte nieuwe technieken, er is de boekdrukkunst en het wiskundig en esthetisch uitwerken van het lineair perspectief.

In de Lage Landen, vooral in Brussel, veranderden de onderwerpen naar alledag.

Bekende kunstschilders en beeldhouwers uit de renaissance waren:

Wat ook heel kenmerkend was voor de renaissance was het feit dat door het opkomende individualisme de werken gesigneerd werden. In de Romaanse en Gotische kunst werd dit nooit gedaan, vanwege het feit dat men vond dat de kunstenaar het werk deed in de naam van God en niet in de naam van zichzelf.

[bewerken] Beeldhouwkunst

Het koninklijk weeshuis te Buren.

In de beeldhouwkunst komen een aantal innovaties voor, types als de portretbuste en het ruiterstandbeeld die rechtstreeks werden overgenomen van de Klassieke Oudheid. Bekend waren vooral Donatello, Michelangelo en Leonardo da Vinci. Te onderscheiden is de vroege renaissance en de hoog-renaissance.

[bewerken] Architectuur

In de architectuur moesten de gebouwen van de voorbije eeuwen plaatsmaken voor nieuwbouw: Constantijns hoofdkerk boven Petrus' graf werd vervangen door een nieuwe kerk. De hernieuwde belangstelling voor de vormentaal van de Oudheid springt vooral in de architectuur in het oog. Men bestudeerde de verhandeling van de Romein Vitruvius en mat antieke gebouwen op om zich vertrouwd te maken met de 'taal' van die architectuur (met vormen zoals frontons, eierlijsten, Dorische, Ionische, Korinthische zuilen; met de 'grammatica', de regels voor het bijeenvoegen van de onderdelen).

Italiaanse architecten waren onder andere:

[bewerken] Voorbeelden van renaissance-architectuur

Enkele voorbeelden van tijdens de renaissance gebouwde bouwwerken zijn:

  • Italiaanse paleizen zoals in Venetië en Florence
  • koepels van de kathedraal van Florence en de Sint-Pieter in Rome
  • Remuh synagoge in Krakow, Polen

Ook in andere landen is de renaissance-architectuur terug te zien in de vele grote Franse kastelen in de Loirevallei. Het bekendste renaissancekasteel in Frankrijk is het kasteel van Fontainebleau. In Spanje waren er invloeden vanuit de Islam zoals ook te zien is in Alcazar in Sevilla, het Alhambra in Granada.

[bewerken] Muziek

Zie renaissancemuziek

[bewerken] Internationale politiek

Europese staten in ~1500.

Tussen 1450 en 1550 onderging de politieke kaart van Europa een aantal fundamentele wijzigingen. In 1453 werd Constantinopel door de Ottomaanse Turken veroverd. Van daaruit stonden de Turken voor de poorten van Hongarije en Midden-Europa. In 1526 brachten zij bij Mohács de Hongaren een zware nederlaag toe.
De neergang van het Byzantijnse Rijk na de Vierde Kruistocht tot aan de verovering van Constantinopel door de Turken heeft ertoe geleid dat geleerden naar Italië vluchtten en hun kennis over de cultuur van de Griekse oudheid met zich meebrachten. De kennis en ideeën uit de oudheid die in het Europa van de Vroege en Hoge middeleeuwen zo goed als verloren was gegaan, was immers in kloosterbibliotheken in Byzantium en binnen de Arabische cultuur gedurende 1000 jaar bewaard gebleven.

Verder kwam er in 1453 een einde aan de Honderdjarige Oorlog. Spectaculair was de opkomst van de Habsburgers. Zij verwierven het grootste deel van het Bourgondische rijk, dat na 1477 uiteenviel. Italië werd het strijdtoneel van de grootmachten; in 1494 vielen de Fransen het binnen, gevolgd door de Spanjaarden. Alleen Venetië bleef in politiek opzicht een macht van betekenis. Vanaf ~1520 werd de Europese politiek gedomineerd door een bijna-permanent conflict tussen Habsburg (Spanje) en Valois (Frankrijk).

[bewerken] Heilige Roomse Rijk

De Duitstalige landen, waaronder ook het grootste deel van de Lage Landen, werden in deze periode omvat door het Heilige Roomse Rijk dat feitelijk uit een groot aantal staten en staatjes bestond, die alle een grote mate van zelfstandigheid bezaten. In de eerste plaats waren er de wereldlijke vorstendommen, hertogdommen en graafschappen. De belangrijkste hiervan waren Beieren, Württemberg, Saksen en Brandenburg. Daarnaast waren er de geestelijke vorstendommen, bisdommen en abdijen. Een substantieel deel van het Duitse Rijk werd door geestelijken geregeerd. Tot slot waren er de vrije rijkssteden, ongeveer vijftig in getal, zoals Hamburg, Lübeck, Keulen, Frankfurt en Neurenberg. De stedelijke territoria waren doorgaans klein; de steden ontleenden hun invloed aan hun financiële en economische macht.
Het rijk was sinds enkele eeuwen een kieskoninkrijk. In 1356 was bepaald dat de keizer voortaan door zeven keurvorsten zou worden gekozen: de aartsbisschoppen van Mainz, Trier en Keulen en vier wereldlijke vorsten, de koning van Bohemen, de Paltsgraaf aan de Rijn, de hertog van Saksen en de markgraaf van Brandenburg.
In 1440 werd de aartshertog van Oostenrijk, een Habsburger, tot keizer gekozen. In de volgende eeuwen kwamen alle keizers - op één uitzondering na - uit het geslacht Habsburg.

Onder keizer Maximiliaan van Oostenrijk (1493-1519) werd een poging ondernomen om het bestuur van het Duitse Rijk te reorganiseren en te centraliseren. Daartoe werden de Duitse landen verdeeld in een tiental kreitsen (rijksdistricten). Verder werden een aantal nieuwe instellingen in het leven geroepen: het Reichskammergericht, een centraal gerechtshof, en de Reichshofrat, een adviserend lichaam op juridisch en staatkundig gebied. Dit stuitte op weerstand van de vorsten en steden, die vreesden hun politieke rechten te verliezen. Dientengevolge bleef het praktisch effect van de hervormingen beperkt. Aanzienlijk meer succes had Maximiliaan met zijn uitgekiende huwelijkspolitiek.

[bewerken] Frankrijk

De Franse monarchie was ontstaan vanuit een kern rondom Parijs; in de loop van enkele eeuwen hadden de Franse koningen gaandeweg het kroondomein vergroot.
Koning Lodewijk XI (1461-1483) uit het Huis Valois streefde naar een versterking van het koninklijk gezag. Struikroverij werd bestreden, het leger versterkt. De Franse monarchie was een van de machtigste van Europa: de Franse koning kon als een van de weinige vorsten belasting heffen zonder daartoe toestemming te hoeven vragen aan de standenvergadering.

[bewerken] Spanje

Fernando Gallego (of een leerling), De Madonna met de 'katholieke koningen' , Museo del Prado, Madrid.

Gedurende de Middeleeuwen hadden er op het Iberisch Schiereiland steeds meerdere christelijke koninkrijken naast elkaar bestaan. In de 15e eeuw waren er nog slechts vier: Aragon, Castilië, Navarra en Portugal. In het zuiden lag het islamitische koninkrijk Granada. Dat Aragon en Castilië samengroeiden tot het koninkrijk Spanje was in belangrijke mate het gevolg van toevalligheden.
Aragon lag aan de Middellandse Zee en was daar ook in economisch opzicht op georiënteerd. In de loop van enkele eeuwen hadden zijn heersers de Balearen, Sardinië, Sicilië en ten slotte ook het koninkrijk Napels verworven. In Catalonië werd Catalaans gesproken, een taal die aanzienlijk verschilt van het Castiliaans waaruit het Spaans is ontstaan. Castilië was aanzienlijk groter; als gevolg van de ontdekkingsreizen verwierf het uitgestrekte gebieden in Amerika.
Spanje dankt zijn ontstaan aan het huwelijk van Ferdinand van Aragon en Isabella van Castilië in 1469. De aldus verbonden koninkrijken bezaten echter geen gezamenlijke politieke of juridische instellingen. De Inquisitie was de enige gemeenschappelijke instelling.

De heersers werkten nauw samen met de Kerk. Spanjaarden ontleenden hun identiteit aan het christelijk geloof. De geschiedenis van de Spaanse koninkrijken was in belangrijke mate bepaald door de eeuwenlange strijd tegen de moslims. In 1492 veroverden de christenen hun laatste bolwerk, het koninkrijk Granada. Ook nadien zetten de christenen hun expansieve politiek voort: vrijwel onmiddellijk na de val van Granada vielen zij Noord-Afrika binnen.
Ook de ontdekkingsreizen waren in vele opzichten een voortzetting van deze kruistocht tegen de 'ongelovigen'. De indianen in de Nieuwe Wereld werden onder dwang bekeerd tot het christelijk geloof.

Eeuwenlang was een substantieel deel van de Spaanse bevolking joods of islamitisch geweest. Na 1492 was er voor niet-christenen geen plaats meer. Vele joden en moslims gingen over tot het christendom om verdrijving te voorkomen. De nakomelingen van joden en moslims werden echter in hoge mate gewantrouwd; men beschouwde hen veelal als schijnchristenen. De Maranen, christenen van joodse komaf, en Morisken, christenen van islamitische komaf, werden daarom vervolgd; de Inquisitie speelde hierbij een actieve rol. Slechts door overdadige uiterlijke vroomheid kon men zich aan vervolging onttrekken.

Nog veel sterker dan andere Europese volkeren identificeerden Spanjaarden zich met het katholicisme. Deze geloofsijver bepaalde in hoge mate de Spaanse politiek gedurende de 16e eeuw.

[bewerken] Engeland

In Engeland maakte Hendrik VII (1485-1509) zich met geweld meester van de macht. Daarmee kwam een einde aan de Rozenoorlogen. Dit was vooral een conflicht tussen verschillende facties binnen de hoge adel geweest. Al met al was de macht van de adel ten gevolge van het conflict verzwakt, terwijl de macht van de koning was toegenomen.
Het Huis Tudor zou tot 1603 in Engeland regeren.

[bewerken] Karel V

De machtigste heerser van de renaissance was Karel V, de opvolger en kleinzoon van Maximiliaan van Oostenrijk. Als Karel I was hij de eerste koning van Spanje. Van ieder van zijn vier grootouders erfde hij uitgestrekte gebieden. Hij regeerde over de Oostenrijkse erflanden, de Nederlanden en de Franche-Comté, over de Spaanse koninkrijken Castilië en Aragon, de Spaanse koloniën in Amerika en delen van Italië. In 1519 werd Karel V tot keizer gekozen. Sinds Karel de Grote had in West-Europa geen vorst over een rijk van een dergelijke omvang geregeerd. Met de Amerikaanse gebieden erbij geteld was de oppervlakte zelfs te vergelijken met het Romeinse Rijk. Na de nederlaag bij Mohács besloten de parlementen van Hongarije en Bohemen het koningschap aan te bieden aan Karels jongere broer Ferdinand. Dit mocht overigens niet baten: het grootste deel van het koninkrijk Hongarije werd veroverd door de Turkse sultan Süleyman I. Al met al namen ten gevolge van deze gebeurtenissen de macht en invloed van de Habsburgers in Midden-Europa aanzienlijk toe.

[bewerken] Overzicht van de belangrijkste Europese staten in ~1500

Belangrijkste Europese staten rond 1500 [8]
Naam Politieke structuur Bevolkings-
aantal[9]
Belangrijke steden[10][11] Opmerkingen
Ottomaanse Rijk erfelijk sultanaat ~5,5 miljoen in het Europese deel van het rijk Constantinopel, Adrianopel, Skopje, Thessaloniki, Athene Het grondgebied van het rijk in Europa was ongeveer even groot als dat in Azië.
Kanaat van de Krim erfelijk kanaat  ? Een vazalstaat van het Ottomaanse Rijk.
Rusland erfelijk grootvorstendom ~9 miljoen (zeer onzeker) Pskov, Novgorod, Moskou In deze periode maakten de vorsten van Moskou zich meester van Novgorod, Tver, Vjatka, Pskov en Rjazan.
Moldavië  ? In naam onafhankelijk; feitelijk bij toerbeurt geregeerd door de Turkse, Hongaarse en Poolse buurstaten.
Walachije  ? Târgovişte Schatplichtig aan het Ottomaanse Rijk; feitelijk geregeerd door de Turken.
Litouwen grootvorstendom  ? Smolensk Conflict over de oostgrens met Rusland; geregeerd door en in personele unie met Polen.
Polen kieskoninkrijk ~9 miljoen
Hongarije kieskoninkrijk  ?
Bohemen kieskoninkrijk  ? Praag
Duitse Rijk kieskoninkrijk ~12 miljoen Neurenberg (vrije rijksstad), Keulen (vrije rijksstad), Wenen, Metz (vrije rijksstad) Het belangrijkste deel van het Heilige Roomse Rijk, in naam geregeerd door de Duitse keizer; feitelijk een verzameling semi-onafhankelijke staten.
Bourgondische Nederlanden aantal vorstendommen onder één dynastie ~6 miljoen Brugge, Gent, Antwerpen In naam een deel van het Heilige Roomse Rijk; verbonden met de Franche-Comté.
Zwitserland federatie van 11 kantons ~750.000 In naam een deel van het Heilige Roomse Rijk; de facto onafhankelijk.
Duitse Orde geestelijk vorstendom  ? In naam een vazal van de Duitse keizer.
Noorwegen kieskoninkrijk  ? Sinds de Unie van Kalmar (1397) waren de Scandinavische koninkrijken met elkaar verbonden; feitelijk volgde Noorwegen een eigen koers.
Zweden kieskoninkrijk ~800.000 Op grond van de Unie van Kalmar (1397) verbonden met Denemarken; intern conflict tussen een pro-Deense en anti-Deense partij.
Denemarken kieskoninkrijk  ? In economisch opzicht de sterkste van de Scandinavische koninkrijken; beheerste de Sont.
Venetië republiek ~1,5 miljoen Venetië, Brescia, Verona Venetië bezat een uitgestrekt overzees rijk, dat een deel van Dalmatië, Korfoe, Kreta, Cyprus en delen van zuidelijk Griekenland omvatte.
Milaan hertogdom ~1,25 miljoen Milaan, Cremona
Florence republiek ~750.000 Florence
Kerkelijke Staat geestelijk vorstendom ~2 miljoen Bologna, Rome Geregeerd door de paus, het gekozen hoofd van de katholieke Kerk.
Napels erfelijke monarchie ~2 miljoen Napels
Genua republiek  ? Genua Genua oefende een beperkt gezag uit op Corsica.
Lucca republiek  ?
Siena republiek  ?
Ferrara hertogdom  ? Ferrara
Modena hertogdom  ?
Savoye hertogdom  ?
Urbino hertogdom  ?
Mantua markgraafschap  ?
Sicilië erfelijke monarchie  ? Palermo Verbonden met de kroon van Aragon.
Aragon erfelijke monarchie ~1 miljoen Valencia Sinds 1479 werden Aragon en Castilië gezamenlijk geregeerd.
Castilië erfelijke monarchie ~6,5 miljoen Granada, Sevilla, Valladolid, Toledo Sinds 1479 werden Aragon en Castilië gezamenlijk geregeerd.
Portugal erfelijke monarchie ~1 miljoen Lissabon
Navarra erfelijke monarchie  ?
Frankrijk erfelijke monarchie ~16 miljoen Parijs, Lyon, Rouen, Tours, Marseille, Toulouse
Engeland erfelijke monarchie ~3 miljoen Londen
Schotland  ?

[bewerken] Belangrijke personen

[bewerken] Bibliografie

  • Cumming, R. (2005): Art, Dorling Kindersley, London/New York enz..
  • Hale, J.R. (2000): Renaissance Europe, second edition, Blackwell Publishers, Malden (MA) enz..
  • Jansen, H.P.H. (1981): Geschiedenis van de Middeleeuwen, derde druk, Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen.
  • Nicholas, D. (1999): The transformation of Europe 1300-1600, Arnold, London enz..
  • Palmer, R.R., Colton, J. en Kramer, L. (2007): A history of the modern world, tenth edition, McGraw-Hill, Boston enz..
  • Roorda, D.J., Buisman, J.W., Burger, J.E.J.M. et al. (1983): Overzicht van de nieuwe geschiedenis. De algemene geschiedenis van het einde der middeleeuwen tot 1870, Wolters-Noordhoff, Groningen.

[bewerken] Noten

  1. Volgens Jean Delumeau (in 1991), renaissance-specialist, komt het woord renaissance uit Italië, waar men sprak over een 'rinascita' van letteren en kunsten vanaf het einde van de XIVe eeuw. Tegenwoordig spreken de Italianen over 'rinascimento'.
  2. Peter Haugan is docent aan de universiteit van Wisconsin
  3. Johan Huizinga sprak zelfs over 'De Herfsttij der middeleeuwen' (1919) bij zijn bespreking van de renaissance in Frankrijk en de Bourgondische Nederlanden.
  4. a b c d e f D.J. Roorda: 'Overzicht van de Nieuwe Geschiedenis, Uitgeverij Wolters-Noordhoff 1983 - ISBN 9001762131 / ISBN 9789001762131
  5. Norman Davies: 'Europe, a History'; Renatio p.469, Uitgeverij Pimlico (1997)
  6. Vertaling: 'Er is een sterk gevoel van onwerkelijkheid over de renaissance. De wijze van denken die geacht wordt om een onderscheid te maken tussen de moderne Europese beschaving en zowel de middeleeuwse christelijke als andere niet-Europese beschavingen zoals de islam had geen duidelijk begin en geen einde ...
  7. In Frankrijk en Engeland ontstonden in de Middeleeuwen de monarchieën
  8. De in deze tabel verwerkte gegevens zijn grotendeels ontleend aan Hale, J.R. (2000): Renaissance Europe, second edition, Blackwell Publishers, Malden (MA) enz., pp. 244,245.
  9. Het moge duidelijk zijn dat alle gegeven bevolkingsaantallen slechts ruwe schattingen zijn. Het is niet ongewoon dat vakhistorici wat dit betreft tot uiteenlopende conclusies komen.
  10. De alhier vermelde steden zijn geselecteerd op basis van inwoneraantal. Ook in dit geval gaat het om schattingen. Parijs was met vermoedelijk ongeveer 225.000 inwoners de grootste stad van Europa. De bevolking van Moskou wordt geschat op 36.000. Kleinere steden worden niet vermeld. Een zestal steden met meer dan 100.000 inwoners is vet weergegeven.
  11. De gegevens zijn ontleend aan T. Chandler en G. Fox (1974): 3000 years of urban growth, Academic Press, New York enz., p.15.

[bewerken] Externe links

Persoonlijke instellingen
Boek maken