Dolhuis

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken

Een dolhuis of gekkenhuis was in vroegere tijden een inrichting voor opvang van geesteszieken, ontstaan in de 15e eeuw vanuit de toenemende groei van de steden ontstond de behoefte de stadsbewoners te beschermen tegen gevaarlijke en onrustige mensen (geesteszieken, krankzinnigen). Het begrip krankzinnigheid moet overigens ruim worden genomen. Alles wat buiten de gangbare (wensbare) omgangsvormen viel werd al snel beschouwd als "Krankzinnig": geesteszieken, lijders aan epilepsie, zwakzinnigen, mensen met asociaal gedrag, oproerkraaiers, verslaafden, dementerenden, et cetera. De kans om hierbij levend uit een dolhuis te komen was klein. Er was één deur: naar binnen.

Het eerste dolhuis stond in Valencia (1409). In Nederland in 1425 na een pleidooi van Thomas à Kempis. Vanuit hedendaags perspectief gezien moet het er in de krankzinnigengestichten bizar aan toegegaan zijn. De leiding was in handen van een binnenmoeder. De verzorging verschilde sterk per instelling. Gedragsbeïnvloeding via medicatie was nog onbekend. Het gebruik van vrijheidsbeperkende maatregelen was normaal: mensen werden op allerlei manieren opgesloten, vastgebonden en soms werd er gebruik gemaakt van een bullepees (zweep). Overigens was de kans klein als geesteszieke te worden opgenomen in een dolhuis. Het aantal plaatsen was gering. Het hieronder vermelde dolhuis Reinier van Arkel had bijvoorbeeld plaats voor 12 verpleegden in de 15e eeuw tot 45 verpleegden in de 18e eeuw. De kans was dan ook groter dat je als heks werd veroordeeld of gedwongen werd een zwervend bestaan te leiden buiten de maatschappij.

In het begin waren de belangrijkste inkomsten van het dolhuis de dolhuiskermis en het tegen betaling "gekken kijken" (in Utrecht op de dinsdag na Pasen - de "Paasdol"). Later gebruikte de overheid het dolhuis ook vaak als tucht- en werkhuis. Bij economische voorspoed kon op een goedkope manier worden gekomen aan arbeidskrachten. Bij hoge werkloosheid en tegenspoed werden deze huizen ingezet als bescherming tegen oproer.

Met de ontwikkeling van de medische wetenschap veranderde echter de visie op zorg voor psychiatrische patiënten. Rust en het verblijf in een natuurlijke omgeving zouden heilzaam zijn voor de psyche. De echte geesteszieken werden gescheiden van de rest. Dolhuizen werden gesloten voor pottenkijkers en de eerste instellingen voor de zorg van psychiatrische patiënten buiten de stad verschenen. De leiding kwam in handen van de arts. Het "gekkenkijken" werd in de loop van de 18e eeuw verboden.

Veel dolhuizen werden krankzinnigengesticht en later een psychiatrisch ziekenhuis.

Bekende dolhuizen in Nederland:

  • Het oudste dolhuis in Nederland is het dolhuis Reinier van Arkel in 's-Hertogenbosch (1442). De zorg was in die tijd vooruitstrevend. Patiënten werden niet "opgesloten" maar onderhouden en geobserveerd. Er bestond een dagverblijf (18e eeuw) voor afleiding en bezigheid. De kosten voor de verzorging ging naar draagkracht.
  • Het Willem-Arntszhuis in Utrecht (1461) had plaats voor geesteszieken en mensen met infectieziekten (in die tijd voornamelijk pest). Dit dolhuis bestond uit zes kleinere huisjes, voorzien van een vaste krib met stro. Eenmaal per week werden deze huisjes schoongemaakt. Vier keer per jaar werden bewoners geknipt en geschoren door de chirurgijn, eventueel met hulp van de smidsknecht. Kleding van de bewoners: rood baaien hansop, waarvan broek, jas en kousen aan elkaar waren genaaid.
  • Het Dolhuys in Haarlem is sinds 2005 een museum.
  • Het huidige Pepergasthuis en het Sint-Anthoniegasthuis in Groningen.
Persoonlijke instellingen
Boek maken
in andere talen