Activiteitenbegeleider

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken

Activiteitenbegeleider is een beroep in de medische dienstverlening dat bestaat uit het aanbieden van activiteiten aan heel veel verschillende doelgroepen. Onder andere mensen met een lichamelijke of verstandelijke beperking, jeugd, psychiatrie, ouderen en dementerende ouderen.

De tijd van activiteitenbegeleiding als fröbelvak is voorbij. Tijdens de opleiding is het vak methodisch handelen het belangrijkste aspect geworden.

Activiteitenbegeleiders hebben ongeveer acht uur per dag te maken met alle sociale, emotionele en cognitieve aspecten van hun cliënten waar zij op een professionele wijze mee om moeten gaan. Activiteitenbegeleiders werken doelgericht en methodisch.

De activiteit vormt alleen het instrumentarium om het sociale, emotionele, cognitieve en praktische welzijn van de cliënt te ontwikkelen, indien mogelijk uit te breiden en te behouden. De activiteit is nooit het doel op zich.

Inhoud

[bewerken] Geschiedenis van de activiteitenbegeleiding

Om goed te kunnen begrijpen wat Activiteitenbegeleiding inhoudt is het van belang om te weten waar de wortels van dit beroep liggen. Activiteitenbegeleiding is één van de vele vakken waar men met activiteiten werkt.

Zo oud als de mensheid is, zorgen mensen voor elkaar. Zorg voor armen, zieken en behoeftigen. Deze zorg gaf men elkaar om de ergste armoede te bestrijden. Er was behoefte aan onderdak, voedsel en kleding. ( materiële hulpverlening) De kerk, familie en buren speelden een grote rol.

Na de 2e Wereldoorlog was er behalve aan materiële hulp, ook behoefte aan immateriële hulpverlening. Dit werd met name veroorzaakt door de veranderingen in de samenleving.


In de vroege Middeleeuwen leefden de mensen in kleine, gesloten gemeenschappen. Mensen werden veel minder snel als ziek of afwijkend gedefinieerd dan nu, waardoor er veel minder mensen beroep moesten doen op de één of andere vorm van hulpverlening. Een vak als activiteitenbegeleiding kwam niet voor; iedereen was immers een activiteitenbegeleider in de strikte zin van het woord. Je zou ook kunnen zeggen: bijna iedereen deed aan mantelzorg In de 14e eeuw kwam hier verandering in: men begon mensen die zich niet meer normaal gedroegen steeds meer te verwijderen uit de samenleving. De kerken speelden een belangrijke rol bij de verzorging van deze uitgestotenen. Het gaat dan nog om een relatief klein aantal individuen: Alleen diegenen die absoluut niet meer te handhaven waren in de maatschappij (bijvoorbeeld omdat ze een gevaar vormden voor zichzelf en/of voor anderen) werden uitgebannen en konden rekenen op een zekere vorm van hulp. Deze hulp was vaak niet meer dan een primaire verzorging. Of beter gezegd: bewaring. Met de bewoners werd niets gedaan. In deze tehuizen met mensen die zich niet meer konden handhaven in de maatschappij trof men dan ook: zwervers, zieken, heksen, geesteszieken, ouderen, prostituees, misdadigers, zwakzinnigen aan en deze vaak allemaal in dezelfde ruimte. Men sloot deze mensen met een abnormaal gedrag op, om daarmee de maatschappij te beschermen tegen deze mensen. Het personeel van de diverse instellingen was ongeschoold: Mannen, tijdelijk zonder werk; gepensioneerde soldaten; werkelozen.

[bewerken] Vermaatschappelijking

In de crisisjaren was het de armoede van mensen die nood veroorzaakten. Na de oorlog, na de wederopbouw, waren mensen in staat om zelf te voorzien in hun eerste levensbehoefte. De Industrie kwam op gang, en veel jongeren trokken naar de stad. Veel families en gezinnen vielen uit elkaar, en de positie van de kerk werd zwakker. Het steeds meer opkomende kapitalisme veroorzaakten geestelijke problemen. Mensen raakten in geestelijke nood en het aantal echtscheidingen nam toe. De hulp die geboden werd door naasten of buren op basis immateriële hulp, bleek niet afdoende. Hierdoor ontstond de gedachte dat niet het individu, maar de maatschappij in zijn geheel verantwoording moest dragen voor de problematiek in de samenleving. De staat zorgde ervoor dat er instituten kwamen die de hulpbehoevende mens moest helpen en begeleiden.

[bewerken] Institutionalisering

De hulpverlening in Nederland werd een functie in de samenleving. Er kwamen bejaardenhuizen, zwakzinnigeninrichtingen en gezinsvervangde tehuizen.(Institutionalisering) Dit werd bekostigd met overheidsgeld. Er kwam een grote vraag naar mensen die hun volledige werktijd wilden besteden aan dit werk.

[bewerken] Professionalisering

In eerste instantie was er weinig verschil tussen de eerste beroepskrachten en mensen die dit werk op vrijwillige basis deden. Beroepskrachten leerden door ervaring, kennis en vaardigheden aan.De aard van de nood en de intensiteit hiervan zorgden ervoor deze ( aangeleerde) kennis te ontwikkelen en aan te passen. Er ontstonden diverse specifieke beroepen zoals verpleegkundige en arbeidstherapeut.( professionalisering)

[bewerken] Ontstaan activiteitensector

De vorm van de gekozen hulpverlening was afhankelijk van de waarde die de samenleving hieraan gaf. Zo bleek de materiële hulp hoger gewaardeerd. Na verloop van tijd ontstond er een verschuiving. Dit kwam doordat het finacieël beter ging met Nederland. In de jaren 60 was er een enorme daling van vrijwilligers in de instituten en was er een toename van professionele krachten. Binnen de gezondheids en welzijnsorganisaties werkten veel mensen met verschillende achtergronden en opleidingen. Naast de medische en lichamelijke zorg gingen steeds meer mensen zich bezig houden met het activeren en begeleiden van mensen binnen deze instellingen. Zij vormden een nieuwe sector: De Activiteitensector


[bewerken] Activiteitenbegeleider in het dagelijks leven

Als algemeen gegeven stelt de activiteitenbegeleider zich als doel:

Het begeleiden van deelnemers bij activiteiten in het dagelijks bestaan, zodat zij zich lichamelijk , geestelijk en maatschappelijk welbevinden.De activiteit is geen doel op zich, maar een middel om het bovenstaande te bereiken.

De activiteitenbegeleider maakt daarbij onderscheid tussen 3 verschillende aspecten:

  • de woonsituatie
  • werk/leersituatie
  • vrijetijdssituatie

Hieruit kunnen 4 activiteitensoorten worden benoemd. Deze activiteitensoorten kunnen elkaar overlappen en zijn niet zo strikt als wordt omschreven. Deze activiteitensoorten worden ook wel zingevingsgebieden genoemd.

    • Ontspanningsactiviteiten:

Creatieve en recreatieve activiteiten: uitstapjes,onderhouden of aanleren van hobby's, muziek maken, sport en spel etc. De doelen zijn afhankelijk van het individu, en kunnen heel verschillend zijn. Te denken valt aan zich nuttig voelen, sociale contacten onderhouden, verveling tegengaan en zingeving.

    • Educatieve activiteiten:

Bij deze activiteiten gaat het erom de deelnemer iets aan te leren in de ruimste zin van het woord. Computerles voor senioren, verkeersles voor zwakzinnigen, contact leren maken met anderen, uitbreiden van vaardigheden op elk willekeurig interessegebied. De doelen zijn afhankelijk van het individu, bijvoorbeeld jezelf waar maken, ontwikkelen en zekerder voelen.

    • Zelfzorgactiviteiten:

Dit worden ook wel ADL-activiteiten genoemd, Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen. Deze activiteiten zijn gericht op het behoud van zelfstandigheid en onderhoud van "lijf en nest". Wassen, strijken, boodschappen doen, gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer etc. Mogelijke doelen zijn uitbreiden van vaardigheden op sociaal, emotioneel en motorisch gebied, gevoel van eigenwaarde versterken, gevoelens van afhakelijkheid verminderen.

    • Arbeidsmatige activiteiten:

Hier draait het met name om het maken of leveren van producten en diensten ten behoeve van anderen. Inpak- en montagewerk, tuinonderhoud, verzorgen van dieren, administratieve werkzaamheden. Doelen kunnen zijn: Zinvolle dagbesteding, structuur, samenwerken en sociaal gevoel versterken, voorbereiden op een baan buiten de muren van een instelling.

 
Persoonlijke instellingen
Boek maken